Mijn herinneringen zet ik in een huis. Om te bewaren en nooit te vergeten. Om er naar terug te kijken en misschien wel even vast te houden of om er juist voorbij te lopen. Er zit geen slot op, maar niemand mag er binnen zonder mijn toestemming.
In de hal hangen mijn oude jassen, een rode van toen ik vier was en door de Efteling liep. Dezelfde jas waarin ik tegen een militair “hoi” durfde te zeggen, in tegenstelling tot mijn zussen. De jas waarin een man me “aapke” noemde en ik hem “gorilla” noemde. Aan de kapstok hangt de herinnering aan mijn dapperste tijd. De tijd van de rode jas.
Open de deur en ga op de bank zitten. De televisie daar speelt een stukje af, steeds opnieuw. Een schoolbord waarop een stagiaire de pasgeleerde letters aan elkaar schreef en ik ze toch kon lezen (dat vond ik toen heel wat). En de eerste keer dat ik loog tegen een lerares. Je mocht maar xe9xe9n boekje per dag, ik las er meer. Het scherm laat zien dat ik niet met mijn vinger langs de woorden schoof of met een liniaaltje bijhield op welke regel ik was. Fietsen zonder handen kon ik niet, lezen daarentegen, wel.
Kort flitst het scherm naar groep 4 en ik leer de tafels. Wanneer de juffrouw me vraagt wat 9×9 is scheeuwt iemand naast me het goede antwoord en lacht me uit. Daar pauzeert het beeld.
De keukentafel dek ik met het goede gebroken servies. Elk bord met een ander woord erop. “Lui”, “dik”, “lelijk”, en meer. Ik breek de borden in de hoop dat de herinnering ook breekt. Helaas. De stoelen zijn leeg rondom. Die worden later gevuld met de herinnering aan het handjevol mensen dat ik waardeer. Om de woorden weg te vagen en te bedekken. Vooralsnog zijn die stoelen leeg.
De keuken ruikt naar mijn moeder en haar baksels. Het ruikt naar haar gezicht waar meel op zit omdat ze (bijna woest) het deeg uitrolt om pizza te maken, haar eigen recept, pizza mascarpone. Mijn zussen zijn daar ook ergens, en vroegere herinneringen daaraan. Hoe ik me toen al alleen voelde. Die herinnering gaat de oven in.
We lopen terug de eetkamer door, langs de huiskamer, de gang door en gaan de trap op, die bezaaid is met boeken, sommige zou ik zelf schrijven maar dat kwam er niet van. Die verhalen liggen daar. Op de trap, wachtend tot iemand ze meeneemt, en ik zal het zelf wel zijn. Ooit.
Bovenaan de trap zijn er drie slaapkamers. In de linker stop ik vrienden van toen. Hoe ik zes jaar lang plezier had en me er bij voelde horen, voor het eerst. Erbij gaat de herinnering aan verraad, en mijn naxefviteit. Ik durfde niet toe te geven dat ze me er niet meer bij wilde hebben, dus gaf ik het excuses. Ze vergaten me vast, ik kon waarschijnlijk toch niet. Die deur gaat dicht. Stiekem draai ik hem op slot, maar door de kier onder de deur hoor ik alles.
De middelste kamer is de herinnering aan de eerste jongen voor wie ik viel. Ik weet niet wat het was, of het verliefdheid mag heten, of interesse of misschien gewoon het realiseren dat ik echt niet anders dan op jongens viel. Ik zie nog zijn krullen en zijn lach, vriendelijk naar iedereen en dus ook naar mij want ik was altijd maar xe9xe9n in de massa. Gitaarspelend. Ik weet het nog en ken zijn naam. Hij de mijne niet, want ik sprak ‘m nooit. Misschien was dat ook wel beter.
De derde slaapkamer is voor de overige liefdes die ik (net niet) gekend heb. Daar gaat ook de hoop in die ik koesterde op een fijner leven en om voltallige acceptatie van mijzelf als persoon. In die derde slaapkamer zit de valse verwachting van meer. De belofte die ik mezelf maakte om me niet te laten kwetsen en juist gekwetst worden omdat die belofte verbroken wordt. Die deur wil ik sluiten, maar laat ik op een kier. We kunnen niemand zo goed kwellen als onszelf, een talent wat iedereen heeft.
Ik hoor dat ondertussen de vrienden van nu binnen zijn gekomen en plaatsnemen in de huiskamer en aan de eettafel. Ze brengen zoetigheid en broodjes mee. Zout, en spellen en alles waar ik me fijn bij voel. Ik zoek ze later op, want dat is de herinneing die ik wil blijven beleven. Maar eerst nog dit.
Er is nog een trap. Een smalle, slechtverlichte, versleten trap. Deze leidt naar de zolder. Je kan er niet rechtop staan. Je kan er nauwelijks iets zien, behalve de vage schimmen en schaduwen van de spullen die er staan. Een oude fiets, schoolwerkjes, tekeningen, schrijfsels (veel schrijfsels).
En hier zet ik de herinnering aan mijn hart. Tussen de andere rommel.
Hoogachtend,
Erik